Verzekeringsartsen van het UWV, het keuringssysteem en de artseneed.

Ik vraag me vaak af of een verzekeringsarts van het UWV het keuren van zieke personen een aangename bezigheid vindt.

De persoon die hij voor zich heeft meent ziek te zijn, maar de verzekeringsarts moet van het UWV en de politiek de poort tot de WIA bewaken.

Wil hij zijn artseneed trouw blijven dan moet hij de persoon beschermen en helpen.

Wil hij zijn baas trouw zijn dan moet hij vooral niet teveel personen in de WIA toelaten.

Hij wil toch ook niet na zijn werk thuis komen en aan tafel tijdens het eten tegen partner en (kids) moeten melden dat hij er die dag lekker veel goed heeft gekeurd. Komt ook zo bruut over.

Een duivels dilemma dus. Het lijkt me behoorlijk beklemmend.

Of zie ik het verkeerd en zijn verzekeringsartsen genadeloze keuringsmeesters die geen gevoel hebben. Lijkt me niet, althans daar ga ik niet van uit.

Waar ik wel van uit ga is dat het er op lijkt, dat verzekeringsartsen door het keuringssysteem klem kunnen komen te zitten.

 Neem bijvoorbeeld de taak tijdens het keuren onder andere te bepalen of iemand (ernstige) problemen heeft met het vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht en herinneren. Items behorend bij het zogenaamde persoonlijk functioneren, de eerste rubriek in de FML.

Indien de verzekeringsarts de betrokkene daarop ernstig beperkt acht is de kans aanwezig, dat deze een WIA uitkering gaat krijgen. Zie hieronder, ten aanzien van score 2, afgeleid uit het handboek van het UWV zelf. Doet hij dat niet dan is de kans een stuk kleiner dat de betrokkene een WIA uitkering gaat krijgen. Het is namelijk zo, dat beperkingen op deze items volgens het UWV meestal verhinderen dat iemand nog bepaald werk kan doen.

Dan rijst de vraag wanneer kan de verzekeringsarts iemand volgens het keuringssysteem van het UWV beperkt achten op deze items?

Volgens het Schattingsbesluit (door het UWV weergegeven in het CBBS handboek, blz 36) hebben mensen geen benutbare mogelijkheden voor arbeid als het onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren het gevolg is van een ernstige psychische stoornis. Zij kunnen dus niet werken.

Verder op in het  CBBS handboek staat op blz 95 tot en met 101 onder andere, dat over het algemeen afwijkingen in het vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht en herinneren alleen voorkomen bij mensen met een ernstige stoornis.

Het staat er alsvolgt:

Ernstige stoornis

Over het algemeen zal een afwijking in het vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht en herinneren alleen voorkomen bij mensen met een ernstige stoornis. Denk daarbij aan cliënten met een manie, een psychose, ADHD, een ernstige depressie, mensen met een uitgesproken traagheid of starheid in denken, cliënten met hallucinaties of met ernstige schade in de hersenen, aangeboren of verworven en mensen met een dementie, M. Wernicke-Korsakow.

Een score 2 (sterk beperkt) is meestal niet verenigbaar met arbeid in het vrije bedrijf, staat in het handboek.

Wat opvalt is dat het er op lijkt, dat het UWV het Schattingsbesluit duidelijk anders interpreteert en het begrip volledig onvermogen tot functioneren verengd tot enkel de inschatting van de beperkingen op de items vasthouden van de aandacht, verdelen van de aandacht en herinneren.

Hier krijgt de verzekeringsarts dus tegenstrijdige informatie en kan dus klem komen te zitten.

Ik maak mee, dat cliënten met bijvoorbeeld een Whiplash, chronisch vermoeidheid syndroom of een gehoorstoornis gepaard gaande met epilepsie en tinnitus, die al snel beperkingen hebben in het vasthouden-, verdelen van de aandacht en herinneren-, op deze items niet beperkt worden geacht.

Ik vraag me af hoe deze interpretatie door het UWV van het Schattingsbesluit zich verhoudt tot de artsen eed. Een arts mag zich namelijk volgens de eed van Hippocrates niet onder druk laten zetten.